Deze tekst is eerder als artikel verschenen in het tijdschrift van de Christian Medical Fellowship “In Dienst der Genezing”, april 2009.
Met een zekere gretigheid ga ik in op het verzoek van de redactie van In Dienst der Genezing om mijn verhaal te vertellen. Helaas zit ik, als een persoon die zich bezighoudt met complementaire geneeskunde, in de verdachte hoek: het roept weerstand op en afwijzing, bij mijn reguliere collega’s, maar ook bij sommige christenen.
In de afgelopen 10 jaar schreef ik vele tientallen ontslagbrieven (brief van mij aan de huisarts van een door ons behandelde patient, na afsluiting van de behandeling): zelden gaven de betrokken artsen een reactie, nooit iets van verwondering of verbazing. Dat is tekenend.
Door de jaren heen is er bij mij een gevoel van vervreemding ontstaan ten opzichte van de conventionele geneeskunde. Dat is een onaangename “bijwerking” van de overstap naar de complementaire zorg. Maar het kan ook haast niet anders, want je medisch denken voltrekt zich anders dan vroeger. Er staat ook iets tegenover die vervreemding: het is de enorme voldoening waarmee ik mijn werk doe. Ik neem jullie graag mee in mijn overpeinzingen.
Behandelmethoden
Enkele behandelwijzen die ik toepas staan dicht bij de reguliere geneeskunde, zoals bijvoorbeeld orthomoleculaire geneeskunde, fytotherapie, ozontherapie, vit. C- infusen etc. Ik bedoel hiermee dat je goed uit de voeten kunt wanneer je deze therapieën wilt verklaren met het paradigma (denkmodel) van de hedendaagse moderne geneeskunde. Dat paradigma gaat terug op de zeventiende eeuwse denkers zoals Descartes, en het is in de grond een mechanistisch denkmodel. Het menselijk lichaam wordt als het ware gereduceerd tot een machinaal geheel en ziekte tot een mechanisch defect. Dit model heeft zich in de twintigste eeuw verfijnd tot een moleculair denkmodel waarbij ziekte en gezondheid worden bepaald door het functioneren van moleculen. Afgezien van chirurgie etc. bestaat het fundamentele principe van de therapie uit moleculaire interventie. Ziekte wordt met medicamenten behandeld die een farmacologische werking hebben.
Ik concludeer dat het paradigma van de huidige geneeskunde in wezen onbijbels is…….De kroon van de schepping gereduceerd tot machine…..!
Mijn andere behandelmethoden (neuraaltherapie, biofysische geneeskunde, isotherapie) vallen met hun basisconcepten en toepassingen buiten dit paradigma. Bij mij is deze paradigmawisseling heel geleidelijk gegaan.
Toen wij ons eerste kindje verwachtten had mijn vrouw veel last van hyperemesis gravidarum. Ik gaf haar Ipecacuanae D30, een homeopatisch middel. Niet te geloven: het hielp!!!
Maar als ze het ’s avonds vergat in te nemen was het ’s morgens bij het ontwaken hopeloos. Hier praten we dus over pure ”informatie- geneeskunde”, want de oorspronkelijke stof zit er niet meer in. Homeopathie is informatie- geneeskunde: het “systeem” krijgt de passende frequenties waardoor er een reactie komt.
Binnen het paradigma van de huidige geneeskunde kan dit niet worden verklaard.
Het reguliere reductionistische denkmodel is ontoereikend om biofysische geneeskunde, neuraaltherapie, homeopathie (waar isotherapie onder valt) te verklaren.
Nieuw paradigma
Het concept dat fysiologische functies energetisch worden gereguleerd is binnen de conventionele geneeskunde niet geaccepteerd, terwijl er geen enkele twijfel meer over bestaat dat elektromagnetische processen in biologische systemen voorkomen en daar ook een wezenlijke fysiologisch regulerende rol spelen.
Biofysische geneeskunde is volledig gebaseerd op het feit dat fysiologische processen van het organisme gestuurd en gereguleerd worden door elektromagnetische signalen. Dit is geen hypothese meer, het staat wetenschappelijk gezien vast. Dit paradigma heb ik als christenarts in de loop van de jaren geïntegreerd in mijn medisch denken. Ik kan het niet meer wegdenken. Als je jezelf dan verder verdiept in deze materie kom je terecht bij de kwantumfysica, biofotonen-emissies, morfogenetische velden etc. Eerlijk gezegd gaat het mijn begrip dan al gauw te boven, en moet ik als medicus practicus afhaken. Ik zal niet de enige zijn troost ik mezelf: je blijft toch sterk de neiging houden je iets te willen voorstellen in de dimensies waar je vertrouwd mee bent: tijd en ruimte.
De praktische consequenties van zo’n paradigmaverschuiving zijn belangrijk en hebben betrekking op drie fundamentele concepten van ziekte, gezondheid en genezing.
Het eerste is het concept dat God ons geschapen heeft met een vermogen tot zelfregulatie en zelfgenezing. Hierbij spelen elektromagnetische processen een grote rol. Als deze zelfregulatie om wat voor reden dan ook faalt, kan dat leiden tot ziekte.
Ziekte is in wezen een falen van de zelfregulatie van het organisme (concept 2).
In zekere zin is de reguliere diagnose voor mij dan ook niet van wezenlijk belang. Ik stel mezelf de vraag: “wat ondermijnt bij deze patiënt de zelfregulatie?” Dat is steeds de hamvraag. Bij één en dezelfde klacht of diagnose kan de achtergrondbelasting of ontregeling heel verschillend zijn. Voor patiënt A kan het een oud litteken zijn na tonsillectomie, 15 jaar na dato, voor patiënt B kan het zijn nieuwe draadloze internetinstallatie zijn en voor patiënt C z’n malaria – prophylaxe tijdens z’n reis naar Indonesië.
Tenslotte (concept 3) is het zo dat therapie binnen de niet- reguliere geneeskunde primair gericht is op herstel van het zelfregulerend vermogen van de patiënt.
Ik kijk dan ook altijd of de voorwaarden voor herstel aanwezig zijn. Als de patiënt slaapt op een plek waar een “fout” elektromagnetisch veld hem nachtenlang belast kun je iedere verbetering wel vergeten. Als een patiënt voortdurend overvraagd wordt door z’n omgeving, kun je met biofysische sturing niet veel uitrichten. Als iemand om wat voor reden ook een leaky-gut syndroom heeft, met daaraan gekoppeld een leverbelasting zul je dat in eerste instantie tot speerpunt van je behandeling maken, misschien wel met een vastenkuur. Als iemand geblokkeerd is geraakt in een rouwproces kan dat de reden zijn dat je er met je andere interventies niet doorkomt. Complementaire geneeskunde is dan ook vaak puzzelen, teleurstellingen verwerken, volhouden, patiënt motiveren, nieuwe wegen inslaan en samen met de patiënt dankbaar zijn dat het “totaalpakket” z’n vruchten (zegen!) heeft gegeven.
Er zijn legio observaties die naar mijn mening alleen vanuit het biofysische denkmodel te begrijpen zijn. Ik ken inmiddels vier mensen die uitgesproken slaapstoornissen hebben bij volle maan. Conclusie: kosmische invloeden beïnvloeden de regulatie van ons brein. Ik ken ouders die wisten wanneer hun dochter thuiskwam uit school, te zien aan het gedrag van haar hond. Ik heb een patiënt gehad waarbij de migraineaanvallen eenduidig gerelateerd waren aan de locatie van haar slaapplaats.
Ik ken een moeder die ’s nachts slecht slaapt als haar dochter in een Boeing de oceaan oversteekt, zonder dat ze daar weet van heeft. En zo is deze lijst met verschijnselen nog veel langer te maken. Ik wil nuchter naar deze dingen kijken: ik zie deze verschijnselen als onderdeel van de schepping en de scheppingsorde.
Christen en complementaire geneeskunde
Helaas zitten we op dit moment opgezadeld met een denkmodel dat naar mijn idee de orde in de schepping geen recht doet. De reductionistisch- mechanistische benadering in de geneeskunde heeft ons weliswaar veel gebracht: met name de acute en chirurgische geneeskunde heeft een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Deze benadering heeft ons echter ook veel onthouden.
Menig patiënt voelt zich niet gehoord en begrepen door deze benadering, met name de patiënt met een chronische ziekte. Ik geef toe, mijn patiëntenselectie is wel “gebiassed” maar ik hoor deze teleurstelling echt te veel. Ik denk dat ik als christen met mijn meer holistisch georiënteerd denkmodel de patiënt meer recht kan doen en daarmee ook onze Schepper.
Jammer genoeg is het zo dat men in de complementaire zorg met meer gemak niet-gevalideerde behandelingen inzet: als een collega van mij vertelt dat hij zo’n goed resultaat ziet van Mariadistel- extract bij patiënten met M Pfeiffer, dan denk ik al gauw: “dat ga ik ook eens inzetten”, niet gehinderd door protocollen.
Complementaire geneeskunde is van huis uit vooral “ervaringsgeneeskunde”. Trouwens, reguliere zorg is van origine ook ervaringsgeneeskunde en is het voor een groot deel nog. Zeker nog niet de helft van wat zich in de reguliere zorg afspeelt is ‘evidence based”.
De complementaire zorg wordt- in Nederland- angstvallig buiten de Universitaire klinieken gehouden. Dit maakt ook dat de zorg de status van complementair en alternatief blijft houden: wetenschappelijk onderzoek naar complementaire methoden wordt maar heel beperkt gedaan. En de jonge arts die waagt zich er serieus in te verdiepen kan zijn carrière wel schudden. Zo is de cirkel weer rond.
Onderscheid
De complementaire zorg kent ook “vertakkingen” die de mijne niet zijn. Als een collega stelt dat hij geen laboratoriumgegevens nodig heeft omdat hij er ook achterkomt als hij zich “openstelt voor het goddelijke” dan wijs ik dat resoluut af. En zo zijn er denk ik nog veel meer “uitwassen”. Dus aan de boom van de complementaire geneeskunde zitten takken waar ik verre van blijf. Maar daarmee heb ik geen behoefte de boom zelf te kappen.
Conclusie
Als christenarts kun je je het paradigma van de complementaire geneeskunde eigen maken en er heel goed en vruchtbaar mee werken; je moet je distantiëren van de uitwassen.
Drs Hummelen heeft na zijn artsexamen in 1975 van 1978 tot 1987 gewerkt in een voormalig zendingsziekenhuis in Transkei (RSA). In 1983 behaalde hij de Masters Degree voor Family Medicine aan de Medunsa University. Van 1987 tot 1998 was hij werkzaam als waarnemend huisarts en assistent psychiater in een ambulante setting. Vanaf 1995 werkzaam als arts voor complementaire geneeskunde in een eigen praktijk.
